In een veilige omgeving kunnen kinderen echt groeien

close up van handen

“Ieder kind verdient het om op te groeien in een veilige omgeving”, zegt Majorie Kaandorp, Child Safeguarding & Child Protection Advisor van het Liliane Fonds. Ze vertelt hoe het Liliane Fonds en zijn partners samen die veilige omgeving bieden aan kinderen en jongeren met een beperking.

Wat kun je vertellen over de achtergrond van het safeguarding-beleid van het Liliane Fonds?

“Veel organisaties hebben een standaard beleid voor de bescherming van kinderen in hun programma’s. Maar vaak houdt dat geen rekening met de specifieke situatie van kinderen en jongeren met een beperking. Hun ervaringen zijn heel anders. Ze hebben, verhoudingsgewijs met personen zonder beperking, vaker te maken met geweld of discriminatie. Daarnaast hebben ze meer moeite met het melden van ongewenst gedrag. Professionele hulp en begeleiding is niet altijd aanwezig.”

“Het Liliane Fonds helpt zijn partners daarom in het ontwikkelen en uitvoeren van een kinderbeschermingsbeleid, ofwel child safeguarding, dat speciale aandacht heeft voor kinderen en jongeren met een beperking. Dat doen we door training te geven, sessies te organiseren waarin we met elkaar uitdagingen bespreken en tools te ontwikkelen die kunnen helpen bij het uitvoeren van het beleid.”

Hoe ziet de samenwerking met partners op dit onderwerp eruit?

“Kinderen en jongeren moeten op een veilige manier kunnen deelnemen aan onze gezamenlijke projecten en activiteiten. In de contracten met onze partners staat daarom altijd de eis dat beide organisaties een beleid voor child safeguarding moeten hebben. Inclusief een gedragscode en dat incidenten gemeld worden aan het Liliane Fonds. We nemen maatregelen die kinderen en jongeren beschermen tegen geweld, discriminatie, uitsluiting en uitbuiting. Daarbij houden we rekening met de beperking van iedereen.”

“Alle medewerkers moeten een gedragscode ondertekenen en leren omgaan met kinderen met een beperking. Bij ieder project wordt in kaart gebracht welke risico’s er zijn voor kinderen en jongeren en hoe die beperkt kunnen blijven. Bijvoorbeeld dat medewerkers nooit alleen met een kind in een afgesloten ruimte mogen zijn of dat ze alleen beeldmateriaal mogen maken met expliciete toestemming. Op hun beurt krijgen kinderen en jongeren informatie over wat wel en niet oké is en hoe ze het kunnen melden als er iets is gebeurd dat niet goed is of niet goed voelt.”

In het jaarverslag delen we cijfers over meldingen. Wat gaat er eigenlijk schuil achter die cijfers?

“Incidenten moeten jaarlijks gemeld worden aan het Liliane Fonds. Zo kunnen we monitoren hoe onze partners omgaan met incidenten en of het beleid aanpassing behoeft. De meeste gevallen die gemeld worden gaan over geweld binnen het gezin of de gemeenschap. Deze situaties worden niet veroorzaakt door onze partners, maar zij krijgen hier wel een melding van. Dan verwijzen de organisaties de kinderen of hun ouders door naar instanties die hulp kunnen bieden.”

“Voorbeelden van ongewenst gedrag lopen sterk uiteen. Het kan gaan om fysiek geweld, emotioneel of seksueel misbruik of aanranding. Maar ook minder heftige zaken zoals een locatie die niet bereikbaar is voor kinderen met een beperking, de afwezigheid van een gebarentolk, diefstal van documenten of onveilig vervoer.”

“Is er sprake van ongewenst gedrag, dan moet de partner daar direct op reageren. Allereerst door hulp te bieden aan het getroffen kind en maatregelen te nemen om te voorkomen dat dit weer kan gebeuren. Zoals het vervangen van een medewerker, in het uiterste geval.”

Met onze partners willen we kinderen en jongeren een ‘veilige omgeving’ bieden. Wanneer is een omgeving volgens jou ‘onveilig’?

“Een omgeving is onveilig als kinderen een hoog risico lopen op geweld, discriminatie of uitsluiting. Als zij niet volledig en vrij kunnen deelnemen aan een activiteit. Een school kan ook een onveilige omgeving zijn. Als het schoolgebouw niet goed toegankelijk is, als de kinderen gepest of geslagen worden door de leraar of medeleerlingen, als de kinderen de lessen niet kunnen volgen omdat er geen rekening is gehouden met hun beperking, dan is het voor deze kinderen geen veilige omgeving.”

“Medewerkers moeten het signaleren en actie ondernemen als een kind te maken heeft met geweld of verwaarlozing. Het bijzondere in ons werk is dat onze partners vaak één van de weinige beschikbare organisaties zijn waar kinderen met een beperking terecht kunnen. Meldingen die direct bij de hulpinstanties gedaan zouden moeten worden, komen daarom eerst bij onze partners terecht. Dat levert hen best wat druk op.”

“Het reguliere hulpsysteem of instanties zoals maatschappelijk werk, politie en justitie zijn niet altijd toegankelijk en ingericht op hulp aan deze kinderen. Er is bijvoorbeeld geen doventolk beschikbaar of medewerkers weten niet hoe ze kinderen met een beperking moeten behandelen. Dan staan onze partners het kind bij. We ondersteunen daarom ook projecten die het hulpsysteem toegankelijk maken.”

Kun je een voorbeeld geven van een situatie of omgeving die is veranderd door dit beleid?

“Doordat we samen met onze partners veel aandacht besteden aan kinderbescherming, zijn veel meer CBR-veldwerkers alert op signalen van kindermishandeling. Ze hebben in hun training geleerd signalen te herkennen en ze weten de hulpverlenende instanties veel beter te vinden.”

Hoe reageren partners op dit beleid? Zie je hierin (culturele) verschillen tussen landen?

“Naar aanleiding van voorlichtingssessies voor kinderen en hun ouders, krijgen onze partners soms iets te horen over een onveilige situatie in een gezin of de gemeenschap. Dan verwijzen zij het kind of de ouders door naar maatschappelijk werkers, hulpverleners of instanties. Maar soms moet de partner het zelf oplossen. In sommige landen is het niet altijd verstandig aangifte te doen bij de politie omdat die niet kan of wil helpen. Of omdat het gezin bang is voor vergeldingsacties. Dan wordt er een andere oplossing gezocht, vaak met hulp van de dorpsoudsten of religieuze leiders die veel invloed hebben binnen een gemeenschap. In Nederland noemen we dat een vorm van mediation, in andere landen noemen ze dit een creatieve oplossing die het minst belastend is voor kind en familie.”

Vinden ouders het makkelijker of veiliger om iets te melden bij onze partners?

“Vaak vinden ouders het prettiger om incidenten te melden aan onze partners in plaats van aan de officiële instanties. Onze partners weten hoe ze de beste hulp aan een kind met een beperking kunnen geven en ze weten de weg naar de officiële instanties. Ook vinden ouders het niet altijd fijn om direct met de politie te praten. De politie is niet in alle landen je beste vriend.”

Kun je een voorbeeld delen van een onveilige situatie die je is bijgebleven?

“Een situatie waar het mis ging, was waarbij kinderen met een beperking na een vakantie thuis, terug gebracht werden naar school, een internaat. Hun busje vertrok veel te laat en toen het ’s avonds aankwam bij de school was de poort al dicht en er werd niet meer gereageerd op de deurbel. De kinderen waren gedwongen de nacht in het busje door te brengen. Eén van hen kreeg zeer pijnlijke doorligplekken en moest de volgende ochtend voor behandeling naar het ziekenhuis. De school is hier op aangesproken. Het heeft de kosten van en de behandeling van het kind vergoed en heeft maatregelen genomen om herhaling te voorkomen.”

“Een ander voorbeeld is dat ouders hun kind naar onze partnerorganisatie in de stad brengen voor een medische ingreep in het ziekenhuis. De ouders gaan weer terug naar hun dorp om voor hun andere kinderen te zorgen en te werken. Maar wie zorgt er nu voor het zieke kind? Is dit de verantwoordelijkheid van onze partner organisatie of van de ouders? We denken van beiden. De partnerorganisatie moet de ouders goed voorlichten over hoelang hun kind in de stad moet blijven na de operatie. De ouders moeten proberen opvang te regelen voor hun andere kinderen of een familielid of bekende bereidvinden die voor hun kind in de hoofdstad kan zorgen.”

Alle risico’s voorkomen, lukt niet altijd. Wat is het belangrijkste in hoe je als organisatie reageert?

“Als er iets gebeurt met een kind of als een kind zich meldt met een hulpvraag, dan moet de organisatie daar op reageren. Allereerst moet het kind hulp krijgen, als dat nodig is. Met hulp van instanties uit de gemeenschap, zoals een maatschappelijk werker of sociaal-emotionele hulpverlener. Soms kan de organisatie zelf hulp geven. Daarnaast moet er actie ondernomen worden tegen de ‘pleger’. Als dat een medewerker van de organisatie is, dan is de organisatie daar verantwoordelijk voor. Bij ernstige feiten kan die aangifte doen bij de politie. Vervolgens kijkt de organisatie welke maatregelen genomen moeten worden om herhaling te voorkomen.”

Hoe zorg je ervoor dat een beleid ook echt leeft en wordt toegepast in de praktijk?

“Iedere medewerker heeft daar een eigen verantwoordelijkheid in. Om te beginnen door een Verklaring Omtrent het Gedrag te overleggen en de gedragscode ondertekenen. Daarnaast moet elke medewerker een sessie volgen over wat safeguarding betekent voor diens werk. Zo moet een programmamanager weten dat in ieder projectvoorstel een risico-inventarisatie opgenomen moet worden. Een communicatiemedewerker moet weten dat kinderen of hun ouders toestemming moeten geven voor het gebruik van hun foto’s en verhalen, en dat ze die toestemming ook mogen weigeren, en dat er richtlijnen zijn over hoe kinderen wel of niet in beeld gebracht mogen worden.”

Wat is je hoofddoel met dit beleid, wat wil je uiteindelijk bereiken?

“Het hoofddoel is natuurlijk dat we, met z’n allen, onze programma’s, projecten en activiteiten op een zo’n veilig mogelijke wijze uitvoeren. Kinderen en jongeren moeten eraan kunnen deelnemen, zonder de angst dat er iets naars met ze kan gebeuren. Als een projectomgeving niet veilig is, dan heeft een kind er niets aan. In een school waar een kind iedere dag het risico loopt geslagen en uitgescholden te worden, zal het niets leren. In een ziekenhuis waar een kind op onjuiste manier behandeld wordt, zal het niet beter worden. In een veilige omgeving profiteren de kinderen en jongeren van de activiteiten die ervoor ze geregeld worden.”

Hoe probeer je de drempel te verlagen om iets te melden?

“Melden vraagt moed. Er zijn verschillende redenen waarom iemand geen melding doet als er iets verkeerd gaat. Soms herkent iemand iets niet als ongewenst gedrag, omdat ze eraan gewend zijn, het dagelijks meemaken. Soms melden ouders het niet omdat ze niets negatiefs over de organisatie willen zeggen waarvan ze afhankelijk zijn. Wat als de hulp ophoudt als ze iemand van de organisatie beschuldigen van wangedrag jegens hun kind? En ook al zegt de organisatie meldingen vertrouwelijk te behandelen en de melder te beschermen tegen repercussies: is dat écht zo? Hoe reageert de gemeenschap, die zich ook afhankelijk voelt van de organisatie?”

“Onze partners zijn zich hiervan bewust. In voorlichtingssessies geven we hier veel aandacht aan. Meldpunten, zoals e-mail of een brievenbus, worden zo toegankelijk en laagdrempelig mogelijk gemaakt. Maar dit blijft wel een uitdaging.”

Een lagere drempel om te melden, kan leiden tot meer meldingen. Is dat niet tegenstrijdig?

“Je zou denken dat het goed nieuws is als er geen of heel weinig meldingen binnenkomen. Maar als er geen meldingen zijn, worden we ongerust. Want eerlijk gezegd gebeurt er altijd wel iets. Dat hoeft niet iets ernstigs te zijn zoals fysiek geweld of seksueel misbruik. Het kan ook bijvoorbeeld schelden zijn, of pesten. Of dat kinderen na een activiteit ’s avonds alleen via een gevaarlijke route naar huis moeten. Of dat er foto’s en filmpjes worden gemaakt tijdens een activiteit terwijl de ouders of de kinderen daar geen toestemming voor hebben gegeven.”

“We weten pas dat een kinderbeschermingsbeleid werkt als er meldingen binnenkomen. Want dat betekent dat men ongewenst gedrag herkent, men weet hoe en waar het gemeld kan worden en men erop vertrouwt dat de organisatie daar goed mee om weet te gaan. Gelukkig zien we dat er steeds meer gemeld wordt. De meeste meldingen die onze partners ontvangen gaan over onveilige situaties thuis of in de gemeenschap, situaties die niet veroorzaakt worden door de organisatie. Toch gaan onze partners daarmee aan de slag, juist ook omdat ze een kinderbeschermingsbeleid hebben. Want ieder kind verdient het om op te groeien in een veilige omgeving.”

Zie je verschillen in culturele normen of opvattingen over de omgang met kinderen?

“Sommige vormen van geweld herkent iedereen direct als kindermishandeling, zoals seksueel misbruik of zwaar fysiek geweld. Maar andere vormen worden in sommige samenlevingen beschouwd als normaal of een traditionele uiting van de cultuur of religie. Bijvoorbeeld het slaan van kinderen, als vorm van disciplinering. Internationaal hebben landen bepaald dat het slaan van kinderen niet acceptabel is. We weten namelijk dat dit hun ontwikkeling beperkt, mentaal en fysiek. Maar in dveel landen is het slaan van kinderen gebruikelijk, bij gezinnen thuis en op school. Dat geldt ook voor medewerkers van onze partnerorganisaties.”

“Een ander voorbeeld is ongelijke behandeling van jongens en meisjes. En binnen sommige gemeenschappen zijn meisjesbesnijdenis of kindhuwelijken traditie. Internationaal zijn dit soort praktijken verboden maar het gebeurt nog op grote schaal.”

Hoe ga je om met zulke verschillen in normen en opvattingen over wat ‘veilig’ of ‘acceptabel’ is?

“In safeguarding trainingen bespreken we met elkaar wat we wel en niet als geweld zien. Hoe we in overleg blijven en samenwerken met invloedrijke mensen, zoals dorpsoudsten en religieuze leiders om tot gedragsverandering te komen. Maar we bespreken dus ook wat wij binnen onze organisaties wel en niet acceptabel gedrag vinden. Dat is vastgelegd in de gedragscode die alle medewerkers ondertekenen.”

Is jouw eigen visie of die van Liliane Fonds hierop veranderd?

“Mijn visie over wat wel en niet als kindermishandeling moet worden beschouwd, is niet veranderd. Wat wel veranderd is, is over hoe je binnen een gemeenschap omgaat met daders. In ernstige gevallen zouden we in Nederland direct de politie en de Raad voor de Kinderbescherming inschakelen. Maar een aanpak die bij ons goed werkt, kan elders misschien niet passen. Bijvoorbeeld in een klein dorp in een afgelegen regio, waar men afhankelijk is van elkaar en van onze partnerorganisatie, en waar niet zelden neergekeken wordt op gezinnen met een kind met een beperking. Dan moet je zoeken naar oplossingen die in het belang van het kind, het gezin, de organisatie en de gemeenschap zijn.”

“Als een medewerker van de organisatie de fout in is gegaan, dan moet de organisatie direct maatregelen nemen. Maar als er iets in het dorp speelt, dan is het soms verstandiger eerst de dorpsraad of de religieuze leiders vragen te bemiddelen in plaats van justitie in te schakelen.”

Majorie Kaandorp

Majorie Kaandorp

Child Safeguarding & Child Protection Advisor, Liliane Fonds

Meer lezen?
> Integriteit en veiligheid van kinderen en jongeren