Strijden tegen besmettingsgevaar van misinformatie over ebola in Congo
Kinderen met een handicap zijn extra kwetsbaar in de ebolacrisis die de Democratische Republiek Congo teistert. Dat komt doordat faciliteiten en preventiemaatregelen onvoldoende rekening houden met deze bevolkingsgroep. ADED, partnerorganisatie van het Liliane Fonds in Oost-Congo, komt wél voor hen op. Onder andere door gevaarlijke misinformatie over de ziekte te bestrijden. “Mensen ontkennen de ziekte steeds vaker”, zegt Marline Babwine van ADED.
De humanitaire situatie in het oosten van Congo is fragiel. Een groot deel van de bevolking is ontheemd als gevolg van gewelddadige conflicten en gebrekkige voedselzekerheid. Deze situatie wordt nog moeilijker door een recent offensief van rebellengroep M23.
Vooralsnog zijn er weinig bevestigde gevallen van ebola in dit deel van Congo. Door de veiligheidssituatie en gebrekkige voorzieningen hebben mensen beperkte bewegingsvrijheid, waardoor het virus zich niet gemakkelijk verspreidt. Dit in tegenstelling tot andere regio’s van Oost-Congo, waar ebola al duizenden slachtoffers maakte.
Maatregelen
Onder deze complexe omstandigheden ondersteunt ADED, in opdracht van de provinciale overheid, maatregelen voor de preventie en monitoring. In samenwerking met organisaties van mensen met een handicap, adviseert ADED aan de provinciale overheid, met specifieke aandacht voor mensen en kinderen met een handicap. Hulp- en preventieprogramma’s en informatie moeten expliciet rekening met hen houden en toegankelijk voor hen zijn. Zonder deze doelgerichte steun, lopen kinderen en jongeren met een handicap een hoog risico uitgesloten te worden van vitale hulp en informatie over ebola.
Ondersteuning
Het Liliane Fonds ondersteunt ADED met extra financiering van hun pakket aan maatregelen. Hiermee biedt ADED duizenden mensen met een beperking, hun verzorgers en gemeenschappen toegang tot betrouwbare, toegankelijke informatie, apparatuur en beschermingsmaatregelen. Via hun contacten in de samenleving, zoals via scholen, kerken en maatschappelijke organisaties, bereikt ADED duizenden mensen direct en effectief.
Wijdverbreide misinformatie vormt hierbij een constante belemmering, ziet Marline Babwine, lobbyist bij ADED:
“Ik maak me voortdurend zorgen besmet te worden”
.
“Aan het begin van deze crisis zag iedereen direct het gevaar. Mensen droegen mondkapjes, spraken elkaar aan op risico’s, bijvoorbeeld op plekken waar veel mensen samenkomen, zoals standplaatsen van taximotoren.”
“De overheid nam maatregelen om de uitbraak te stoppen, de grenzen met Oeganda en Rwanda gingen dicht. Dat had grote impact op het dagelijkse leven, met name voor kleine handelaren, die afhankelijk zijn van de vrije beweging van mensen en goederen. De prijs van basisbehoeften en levensmiddelen ging omhoog.”
“Als reactie hierop wordt de ziekte steeds vaker ontkend. Sommige mensen beweren dat de overheid de maatregelen heeft genomen om zichzelf te verrijken of financiering te verkrijgen. Zulke verhalen stellen de realiteit van de gezondheidscrisis ter discussie.”
“Het kost ons veel moeite om mensen te overtuigen om preventiemaatregelen te volgen. Sommige mensen uiten ongefundeerde theorieën, zoals dat het virus is gecreëerd of geïntroduceerd door NGO’s (‘wazungu’). Zulke verhalen versterken het wantrouwen tegen onze boodschappen en maakt bewustwording moeilijk. Dat is stressvol. Voor ons als ADED-personeel is het een uitdaging om onze communicatie te laten aansluiten op de gemeenschap.”
“Ik maak me zorgen over de crisisaanpak van de centrale regering. Ze lijken politieke verschillen en spanningen met de oppositie belangrijker te vinden dan de gezondheidscrisis. Ik merk dat de aandacht verslapt, maatregelen worden versoepeld. Ook de media verliezen hun aandacht, delen veel minder informatie. Dat versterkt mijn gevoel dat de situatie minder wordt gemonitord.”
“Ik kende een priester in Bunia. Hij zocht zieke mensen op in het ziekenhuis, bood hen morele steun. Zo raakte hij zelf ook besmet. Hij is inmiddels overleden. Hij was iemand die zeer betrokken was bij vredesprocessen. Het risico op besmetting maakt me voortdurend bezorgd. Ik denk aan mijn gezin. Wat gebeurt er als ik besmet raak?”